De zeeschildpad wordt bedreigd. De eieren en het schild van de
zeeschildpad zijn namelijk erg geliefd. In het Europa van de 16de eeuw
was het enorme beest een echte noviteit en zijn schild een gewild object.

De 16e eeuw was de eeuw van de ontdekkingsreizen. Na Columbus’ ontdekking van Amerika in 1492 was het hek van de dam. Met name de Spanjaarden en Portugezen gingen op zoek naar nieuwe landen, wat hen veel geld opleverde. De zilvermijnen in Peru hebben de Spaanse schatkist jarenlang goed gevuld. De Nederlanden, in dezelfde eeuw economisch volop aan het groeien, zouden niet achterblijven. In 1598 zou Olivier van Noort als eerste Nederlander om de wereld varen, op zoek naar Spaanse schepen vol zilver.

Vreemde verzamelingen
De ontdekkingsreizen spraken enorm tot de verbeelding, ook buiten de landen die de reizen organiseerden. Verhalen over vreemde mensen en nog vreemdere beesten kwamen al snel terug naar Europa. En niet alleen de verhalen. De ontdekkingsreizigers namen graag enkele, liefst levende, exemplaren mee om hun vorst cadeau te doen of tentoon te stellen. Het schild van de zeeschildpad zat ook dikwijls tussen de souvenirs. De beesten bleven lang leven zonder eten of drinken zodat de bemanning ze onderweg konden gebruikten als voedsel. Eenmaal thuis oogsten de enorme schilden van de geslachte beesten veel bewondering bij de mensen. Zulke exotische spullen hadden ze nog nooit gezien. Niet verwonderlijk dat het in deze tijd mode werd om een collectie van curiosa aan te leggen. Naast koningen en rijke burgers probeerden ook de enigszins gegoede middenklasse aan deze trend mee te doen. Schilden van schildpadden waren een vaak terugkerend item in hun bonte verzamelingen.

Zeeschildpad volgens Adriaen Coenensz     (uit het Visboeck, 1577)

Zwijn met schild
Maar hoe een dergelijk beest er levend uit zou moeten zien, dat wisten de meeste mensen niet. Adriaen Coenensz van Schilperoort (1514-1587) uit Scheveningen maakte een tekening van het beest voor in zijn Visboeck. Dit illustratieve boek, dat nooit is uitgegeven, staat vol informatie over het leven van dieren in de zee, recepten over hoe je ze klaarmaakt, gedichtjes en legendes. Naast vreemde dieren uit recent ontdekte gebieden konden ook de afschrikwekkende monsters niet uitblijven.

Het geloof in monsters was een erfenis uit de Middeleeuwen. Zolang het tegendeel niet bewezen kon worden, was men overtuigd van het bestaan van zeemeerminnen, angstaanjagende zeereptielen en kuikers: goede duivels die de vissers hielpen met het sorteren van de garnalen. Coenensz, zelf lange tijd visser geweest, wist veel over waterbeesten en had al aardig wat vreemde soorten gezien in zijn leven. Kuikers vond hij maar bijgeloof maar de informatie over de monsters haalde hij uit de beschrijvingen van een Zweedse bisschop. Als gelovig man twijfelde hij niet aan de woorden van een geestelijke en bovenal niet aan de macht van God om wonderlijke wezens te scheppen. Over de zeeschildpad had Coenensz de wildste verhalen gehoord en de enorme schilden gezien. Hier maakte hij zelf iets moois van: een zeezwijn met schild.

gallery-2Uitsterven
De ontdekkingsreizigers maakten zich niet erg druk om het milieu of het uitsterven van vreemde beesten en zeedieren. Alles wat ze als voedsel konden gebruiken werd meegenomen om vitaminetekort, en daarmee scheurbuik, te voorkomen. Met steeds meer langsvarende schepen zijn hele kolonies van pinguïns, schildpadden en dodo’s op deze manier aan hun einde gekomen.

Gelukkig wordt er tegenwoordig beter omgegaan met bedreigde diersoorten en hopelijk kunnen we nu lang van zeeën vol wilde dieren genieten. Voor wie geen natte voeten wil, stelt het Schaakstukkenmuseum een mooi spel tentoon, vol met majestueuze dieren uit de zee.

Door Marjolein Overmeer